dinsdag, november 13, 2012

En ons promofilmpje!

16 opmerkingen:

Ted zei

Ik weet niet wie die man is op dat filmpje, maar bij hun hadden ze grond om een vijver te graven en een vloerkleed om uit te koken zodat er soep op tafel kwam. Wij hadden dat niet, hoor. Wij hadden niet eens water; wij moesten hopen dat het ging regenen, want anders hadden we niks te drinken, en soep? Wij hadden niet eens een pan om een vloerkleed in te koken, een vloerkleed dat wij niet eens hadden, want wij hadden geen vloer bij ons. Dat konden wij niet betalen. We hadden zelfs geen hark om de aarde een beetje netjes te houden; dat deden wij met onze vingers.

Jan Paul zei

Vingers. Vingers. Jullie hadden tenminste nog vingers. Onze vingers waren al lang versleten door het werken in die kolenmijn. Met onze stompjes moesten we de stukken steenkool loshakken, tot bloedens toe.

Van zwemmen kwam niet veel. Totdat er een kernreactor naast de vuilnisbelt werd geplaatst waar we woonden. Als we niet hard genoeg ons best deden, dan werden we in het koelwater gegooid. Met een gewicht aan onze voeten.

Ted zei

Hádden wij maar stompjes gehád. Dan hadden we niet de hele dag rond hoeven lopen met bevroren vingers. En jullie hadden tenminste nog wérk! Wat zouden wij daar gelukkig en rijk mee zijn geweest. Maar nee, hoor, wij hadden geen kolenmijn in de buurt, laat staan een kernreactor met heerlijk warm koelwater. En jullie woonden op een vuilnisbelt. Wat heerlijk moet dat zijn geweest, met al die heerlijke biowarmte. Sommige mensen hebben al het geluk van de wereld en vinden nóg ruimte om te klagen.

bibi zei

Ha, rondlopen met bevroren vingers, wat een weelde. Wij konden niet eens rondlopen omdat we helemaal stijf bevroren waren. We woonden in een kuil op de Noordpool en als we wat te eten wilde hebben hakte mijn moeder een stuk rots uit een berg en daar moesten we het mee doen.

Ted zei

Een rots, wat een weelde! Hadden wij maar rots gehad, dan hadden we niet zo'n honger geleden. Als wij, zoals elke dag, zonder eten naar bed moesten en droomden dat wij rots te eten hadden, knaagden wij aan onze verbeelding. En denk nou niet dat wij een bed hadden of zoiets luxueus als een kuil op de Noordpool, o nee! Wij lagen gewoon in de sneeuw - áls er sneeuw was, want meestal was die er niet.

Jan Paul zei

Ik herinner me die dag nog als gisteren. Die dag dat we verjaagd werden van onze vuilnisbelt en moesten verhuizen naar de bodem van een zoutzuurmeer.

Het meer lag ook nog eens in een militair oefenterrein en de kogels en granaten vlogen ons om de oren. Maar we hadden elkaar en waren gelukkig.

bibi zei

Ja, jullie hadden elkaar, daar zeg je wat. Toen ik op een dag mijn stijfbevroren knie wilde buigen in een poging tot lopen vlogen de ijssplinters ervanaf en die doorboorden mijn ouders en zussen. 'Wij' kunnen zeggen, wat een ongekend geluk. Voor mij is er alleen maar 'ik' en een verlaten karkas waarin ik woon.

Ted zei

Ach, die jongelui van tegenwoordig zijn zo verwend. Die klagen al als ze naar een pretpark gaan, want zo mag je de bodem van een zoutmeer toch wel noemen met kogels die je om de oren vliegen. Wat een spanning en avontuur! En ja, natuurlijk is het naar als je in je eentje in een leeg karkas moet wonen, maar dat moeten wij allemáál. De jongelui van nu zouden eens een voorbeeld moeten nemen aan ons. Als wij eenzaam waren omdat onze familie was verongelukt en we hadden niks te eten en nergens een plaats om te slapen, dan zeiden wij tegen elkaar: Er is altijd hoop. En zo is het maar net. Als je hoop hebt, dan ben je rijk. Maar dat zien die verwende krengen van nu niet meer. Die willen hoop en dan nog wat erachter: hoop geld en hoop geluk. Wij hadden alleen maar hoop en daarmee waren we intens tevreden.

bibi zei

Ach wie hoop heeft, heeft nog een toekomst, maar de enige hoop die ik kende was de hoop poep die mijn enig overgebleven vriend, een uitgemergeld rendier, achterliet voor het zijn laatste adem uitblies en ik alleen achterbleef. Zei ik dat ik sliep in een karkas? Ik bedoelde de graten van een diepzeebaars.

Ted zei

Maar jij had tenminste nog de herinnering aan een goede vriend die je hebt gehad. Een vríénd! Wij hadden nooit vrienden. Geen levende en geen dode ook. Laat staan herinneringen. De tevredenheid kwam uit onszelf, want iets anders hadden wij niet. En daar waren wij dankbaar voor.

bibi zei

Tevredenheid en dankbaarheid, wat een heerlijke woorden. Te meer daar je die uit jezelf kon putten. Bij mij viel er niets anders te putten dan een verlángen naar tevredenheid en dankbaarheid. Zei ik dat mijn behuizing bestond uit graten? Ik bedoelde de resten van het schild van een vliegend hert.

Ted zei

Maar verlangen, dat is zó'n kostbaar goed! Dan ben je rijk, als je dat hebt. Zulke luxe kwam er bij ons niet in. Wij waren al blij als we één keer per dag mochten ademhalen. Als er al adem was, hoor, want dat was er nooit. Maar hoorde je ons ooit klagen? Welnee, wij legden ons neer bij de situatie zoals wij die aantroffen. We denken nog wel eens terug aan toen. We hadden niks en toch hadden we het best.

Marcel van Driel zei

Vingers, vuilnisbelt, elkaar, jullie hadden tenminste nog iets. Ik ben zeven dagen bezig geweest om de wereld te scheppen.

Jan Paul zei

Toen ik weggeslagen werd van de bodem van het zoutzuurmeer had ik helemaal niets meer. Behalve pijn. En vrees. En gebrek.

Ik sliep onder een rijdende stoomwals met spikes. Ik voelde momenten van intens geluk als een van die spikes eens mijn wang perforeerde in plaats van mijn oog.

Ionica zei

Wat? Had jij nog een oog? En dan nog steeds klagen? En dat had je ook nog een stoomwals om onder te slapen!

Wij zouden dolblij zijn geweest als één van ons elf weeskinderen nog één oog had gehad. En denk je dat wij ooit klaagden? Nee, we waren gelukkig met wat we hadden. Ook al konden we dat dan niet zien.

Jan Paul zei

Waren jullie blind? Wat héérlijk moet dat zijn geweest. Wij werden maanden getrakteerd op vakantiefoto's en dia-avonden van onze buren.

Maar klagen? Ho maar. Je probeerde er ook in dit soort onheilssituaties maar gewoon het beste van te maken.