woensdag, maart 28, 2012

Show, don't tell

Show, don't tell is een belangrijk principe voor schrijvers. Vertel niet dat het hard regent, maar laat het water langs het been van de hoofdpersoon de schoenen in stromen. Niet-vertellen-maar-laten-zien is ook voor recensenten een goede manier om over een foto- of prentenboek te bloggen. Nou ja, eigenlijk is het bij Jaap Friso show ánd tell. Nog beter.






Terug naar Bologna

De afgelopen dagen had ik een flinke ruzie met Blogger dat telkens een foutmelding gaf en mijn posts verwijderde, maar alles lijkt het weer te doen. De posts staan wel op Villa Kakelbont.



Sommige boeken dwalen nadat je ze gelezen hebt nog een tijd door je hoofd. Ze hebben iets intrigerends waar je niet direct de vinger op kunt leggen. Wat maakte het zo bijzonder? Wat wringt er nog? De beurs in Bologna had ook zoiets. Er was een bepaalde sfeer waar ook niet direct de vinger op kon leggen. Maar het voelde ánders.

Ging het dan slecht met de uitgevers? Nee, zeker niet. Er zijn genoeg uitgeverijen die lastige tijden doormaken, maar vele hebben een uitstekende beurs gehad. Bovendien lijkt de internationale markt aan te trekken. Een paar jaar geleden hadden sommige hallen nog grote lege plekken. Nu was de hele ruimte weer gevuld. Wat was er dan? Nu pas weet ik het. Niemand zei het direct, maar het is onzekerheid. Voorzichtigheid. Stilte voor de storm. De storm van een misschien instortende economie, maar ook een storm van e-books, nieuwe media en apps. Wanneer komt die storm? Hoe zwaar wordt hij? Richt hij veel schade aan of zorgt hij juist voor een aangename frisse bries? Wat doet de concurrentie met die storm? Hebben andere landen de wind mee of tegen?

De ontwikkelingen gaan razendsnel. Als je nu besluit om in te zetten op een dure strategie waarin nieuwe media een belangrijke rol spelen heb je de kans dat de technieken al achterhaald zijn voordat de boeken en apps klaar zijn. De concurrentie maakt dan voor minder geld iets mooiers. ‘Kijken, kijken, nog niet instappen…’ lijkt het motto momenteel. Op de stands werden dan ook bijna alleen maar boeken verkocht. Bij de presentaties draaide het vrijwel uitsluitend om nieuwe media. Een merkwaardig verschil.

Ik heb inmiddels behoorlijk wat gezien op het gebied van apps en nieuwe media. De grootste uitdaging lijkt me om de warmte van een boek over te brengen op een kille drager als een iPad. Illustraties op papier voelen veel directer, persoonlijker en veel exclusiever aan. Bij mij tenminste. Hoe dat komt weet ik niet. Maar zolang dat verschil blijft hou ik een sterke voorkeur voor het papieren boek. De tekeningen die Mies van Hout me liet zien deden me véél meer dan de spectaculairste apps.

maandag, maart 19, 2012

Bologna


Vandaag vertrek ik naar Bologna, naar de jaarlijkse kinderboekenbeurs. Ik kom daar al sinds 2002. Nog voor mijn eerste boek dus. Het manuscript was toen al wel voor een groot deel af, dus ik kon er al veel over vertellen. Dat leverde een kleine triomf op toen ik op een avond met allerlei uitgevers aan tafel zat die mijn boekvoorstel hadden afgewezen. Ineens kwamen er vragen als: ‘Weet je nog naar wie je je idee hebt gestuurd?’, ‘Heb je al getekend bij Querido?’ en ‘Wat stond er precies in onze afwijzingsbrief?’. Het werd een leuk diner.

Bologna is geweldig. Op geen andere beurs zie je zoveel vrolijke gezichten als hier. Het is een klein feestje. Dat komt natuurlijk door de prachtige stad en de belofte van de lente die je daar nu al voelt. Maar het komt ook door de mensen. De kinderboekenwereld is een prettige wereld. En je komt elkaar wel tegen op uitgeversfeestjes en boekenevenementen, maar je spreekt elkaar dan toch altijd maar heel vluchtig. In Bologna kom je elkaar dagenlang tegen. Dat levert altijd weer nieuwe ideeën, inzichten en plannen op.

Tijdens mijn eerste avond in 2002 dineerde ik in een klein gezelschap met Max Velthuijs. Hij was er toen voor de 43e keer, had hij geteld. Het wordt mijn elfde keer, maar ik hoop zijn aantal te overtreffen.

zaterdag, maart 17, 2012

Een prijs zonder inflatie


In 2006 begon ik met de research voor Kinderen van Amsterdam. Het was de bedoeling dat het boek bij Querido zou verschijnen, maar in 2007 begonnen Maria Holtrop en Annelies Fontijne een kinderfonds bij een nieuwe uitgeverij Nieuw Amsterdam. Met beide had ik heel goede ervaringen en ik had het idee dat hun nieuwe uitgeverij beter aansloot op wat ik wilde. Ik vertrok dus, in goed overleg, bij Querido. Met vormgever steef liefting en tekenaar Paul Teng bedachten we de opzet van het boek. Ik kon eindelijk schrijven… nou ja… als ik schrijven kon.

Kinderen van Amsterdam begon met een writer’s block van twee maanden. Uiteindelijk kwam het natuurlijk goed. Een writer’s block is nooit leuk, maar het is ook niet verkeerd. Zo’n blokkade is er altijd om een reden. En als je dat probleem hebt opgelost levert al dat denkwerk een mooier boek op.

Het werd mijn eerste griffel! Zilver. Het zoveelste euforiemoment. De grote grap was dat ik dacht dat non-fictie geen kans maakte op goud. Het was immers nog nooit gebeurd. Bij de bekendmaking van de Gouden Griffel zat ik dus totaal zonder zenuwen in de zaal. Ik kon toch niet winnen. Maar op het moment dat de eerste woorden van het winnende juryrapport werden uitgesproken herkende ik de tekst meteen. Die had ik twee uur daarvoor nog gehoord tijdens het griffeldiner. Over míjn boek.

Op dat moment flitste er van alles door mij heen. ‘Dit gaat er gebeuren…’, ‘dat gaat er gebeuren…’, ‘dit staat me te wachten…’, ‘dat staat me te wachten…’ alleen maar leuke dingen. Alleen maar sensationeel geweldige dingen. Ik droomde als kind wel eens dat ik een enorme doos vol speelgoed kreeg. Dit was net zo’n droom. Want dat was het natuurlijk. Ik had al lang besloten dat het niet echt was en dat de wekker even later zou gaan. Maar tot die tijd kon ik nog wel even genieten van die droom. Dat is de reden dat ik totaal ontspannen en zonder enige plankenkoorts voor een volle zaal stond: het was toch allemaal niet echt.

Maar het bleek wel degelijk echt. De volgende ochtend werd ik net zo vrolijk wakker. De ochtend daarop ook. Het is een gebeurtenis waar geen enkele inflatie in zit. Het went niet. Het blijft even bijzonder. Nog steeds ben ik totaal overrompeld door wat me toen overkomen is. En nog steeds kan ik er niet zonder tranen in mijn ogen over schrijven.

donderdag, maart 15, 2012

Ode aan de illustratoren

Zeg nou zelf, dat kunnen wij toch ook? 

Ja, een ode aan de illustratoren. Niet omdat ze onze boeken zoveel aantrekkelijker maken met hun prachtige tekeningen. Want laten we eerlijk zijn, de afgelopen jaren maakten ze maar wat marginaal geklieder met verf en potloden. Kunnen we zelf ook. En beter. Mits we daar tijd voor zouden hebben. Vraag maar aan de Nederlandse Penseeljury.

Nee, dit is een ode aan de illustratoren vanwege hun andere talenten. Goede smaak bijvoorbeeld. Joukje Akveld schreef een boek over Nederlandse illustratoren en het viel haar op hoe mooi ze allemaal wonen en werken. En die goede smaak gaat verder. Neem nou muziek. Illustratoren werken vaak met muziek op, zodat ze vaak op de hoogte zijn van de laatste interessante cd's. Philip Hopman heeft daar nog een kwaliteit bij. Hij is een levende jukebox die met gemak honderden nummers kan meezingen.

Of mode. Als ik kleren koop stel ik mezelf altijd de vraag 'zou Sieb Posthuma dit dragen?'. Is het antwoord 'ja' dan koop ik het - en dan kom ik er later meestal achter dat Sieb het inderdaad zou kunnen dragen, maar dat het hem een stuk beter zou staan. Ik hoor jullie denken 'Hoho, en Bart Moeyaert dan?'. Ja, die kleedt zich misschien inderdaad goed, maar dat weet ik niet helemáál zeker. Ik heb namelijk het vermoeden dat hij er zelfs in een jute aardappelzak goed uitziet.

Als we het over Sieb hebben, dan komen we bij een andere kwaliteit: algemene ontwikkeling. Op Canvas liet Sieb vorige week zien dat hij met het grootste gemak waanzinnig interessante kunstcolleges kan geven. Toen ik vorig jaar een dag met Tom Schoonooghe op stap was in Bologna kreeg ik bijna een privécollege. Een dag die ik niet snel meer zal vergeten. Illustratoren werken vaak met de radio aan en dat levert een enorme kennis op. Jeska Verstegen luistert bijvoorbeeld veel naar wetenschappelijke programma's en komt altijd met leuke ontdekkingen waar ik nog nooit van gehoord heb met mijn abonnement op Scientific American. Ik denk dan ook dat een kennisquiz tussen illustratoren en schrijvers gewonnen gaat worden door de eersten.

Als je kijkt naar auteurs voor volwassenen en je vergelijkt die met jeugdboekenschrijvers, dan is onze wereld al een stuk vrolijker en vriendelijker. Maar hoeveel polemieken zie je bij illustratoren? Ik ken ze in elk geval niet.

Kortom, leve onze illustratoren! Ze hebben een uitstekende smaak en veel te vertellen. Ook al kunnen ze dan niet tekenen.

woensdag, maart 14, 2012

Eindelijk, hij is er!

Nu nog wachten op de Victorinox die hem als een zakmesonderdeel heeft opgenomen...

dinsdag, maart 13, 2012

Het vervolg

Goed. Waar waren we? O ja! Het tweede boek. Een nieuw deel voor de Querido IQ-reeks van ‘Ruik eens wat ik zeg’ lag voor de hand. En als het aan mij lag was er ook een mooi onderwerp: de Romeinen. Bij Querido wisten ze dat nog niet zo zeker. Zij hadden liever wat originelere onderwerpen. Koeien, Mars, de taal van Dieren, de VOC… net iets spannender. Maar ik wilde graag laten zien dat mijn idee perfect zou zijn voor de reeks. Toch ging na een jaar de stekker uit het plan. Querido wilde definitief niet.

Een ander onderwerp dus. Maar dat was snel gekozen: spionage. Bij Querido vonden ze het ook een leuk idee. Een jaar lang las ik van alles over de KGB, de Mossad, CIA, MI5, enzovoort. Het eerste hoofdstuk was na een enorm geworstel eindelijk af. En toen kwam het telefoontje: het boek ging niet door. Zowel Van Goor als de Fontein hadden in hun aanbieding een non-fictieboek over spionage. Een derde boek, ook nog eens ná die andere twee, zou zinloos zijn. En daar hadden ze natuurlijk gelijk in.

Gelukkig kreeg ik een leuke opdracht tussendoor. Marjolein Hund had als afstudeeropdracht een mooi prentenboek gemaakt. Van Goor wilde dat wel uitgeven, er zat alleen nog geen tekst bij. Dat mocht ik doen. Zo volgde in 2005 eindelijk ‘mijn’ tweede boek: ‘Alles uit de kast.’

Maar er was meer. In Bologna maakte ik kennis met Piero Stanco van Kluitman. Hij had het plan voor een Nederlandse versie van de reeks ‘Waanzinnig om te weten’ en zocht nog een auteur. Nou, dat wilde ik graag doen. Ik had ook twee leuke onderwerpen voor hem: de Romeinen in de lage landen en spionage.

Er volgde nóg een opdracht: het verboeken van het scenario van ‘Zoop in India’ voor Van Holkema en Warendorf. En nog één, tot dan toe de moeder aller opdrachten: een boek maken over het Jeugdjournaal. Twee maanden liep ik mee in Hilversum met de medewerkers van het programma en dat was een feest. Ik kijk niet zo heel erg op tegen supersterren, maar ik vind het toch wel leuk om te kunnen zeggen dat ik bij Shakira in de hotelkamer heb gestaan en Ivanhoe/Lord Brett Sinclair/James Bond een hand heb gegeven. En in de tussentijd had ik een nieuw idee voor Querido.

Een boek over de geschiedenis van Amsterdam.

maandag, maart 12, 2012

En dan nog even dit...

Ik was eigenlijk wel klaar met de discussie op Vertel Eens. Maar er zijn twee dingen die ergens op de achtergrond door blijven rommelen en dat wordt een etterige ontsteking als ik daar niet tegen in actie kom.

Allereerst zijn de woorden van Edward hier en daar zo verschrikkelijk uit hun verband gerukt dat het lijkt alsof hij tegen elitaire boeken of tegen typische Kinderjuryboeken is. Voor wie dat nog denkt of roept, hier een letterlijke passage uit zijn lezing:

"Ik wil duidelijk maken dat ik niet tegen wat moeilijkere, experimentele boeken ben. We hebben ze nodig om verder te komen. Om te laten zien dat je ook naar Mercurius kunt in plaats van alleen naar Landal GreenParks. Hierover zegt Jacques Dohmen, oud-redacteur van uitgeverij Querido), bijvoorbeeld terecht: ‘Het is belangrijk dat een uitgever vernieuwers een kans geeft - daarbij het risico lopend de plank helemaal mis te slaan, of een (relatief klein) verlies te lijden - maar gelukkig ook met de kans dat er op alle vlakken iets groots wordt verricht.’"

Voor wie dat nog niet begrepen heeft, nog een keer langzaam in de herhaling, vanuit een iets andere hoek. Ook letterlijk:

"Ik ben niet tégen boeken van auteurs die zich niks van hun publiek aantrekken. Laat het verschijningspakket zo veelkleurig mogelijk zijn."

Verder pleit Edward inderdaad voor het bevorderen van de integratie van kwaliteit en toegankelijkheid. Heb je daar als schrijver geen boodschap aan, prima. Even goede vrienden. Er zijn meer wegen die naar Bologna leiden. Edward noemt ze in zijn lezing.

Zo. Lijkt me duidelijk, toch? Verder is er enig gemor over het feit dat ik het succes van 'Kinderen van Amsterdam' als voorbeeld heb gebruikt in de discussie op Vertel Eens.

Dat zit zo. Ik verkeerde in de veronderstelling dat Ted van Lieshout beweerde dat boeken die zowel in de smaak vallen bij kinderen als bij volwassenen hooguit een ruime voldoende konden scoren. Dat bedoelde hij niet, maar dat las ik in zijn woorden.

Daarop gebruikte ik de waardering van kinderen en professionele lof voor mijn boek als tegenargument. Leek me een valide argument. Iemand zegt: 'Olifanten kunnen niet oranje zijn'. Ik laat vervolgens een oranje olifant zien. Bewijs. Klaar.

Maar ik mocht hier niet mezelf als voorbeeld nemen. Karin Kustermans: 'Ja, erg vervelend dat een auteur om het gelijk van zijn stelling te bewijzen het verkoopsucces & de kwaliteit van zijn eigen boek inroept. Dan wordt discussiëren erg moeilijk.'

Ik zal het nog sterker vertellen. Ik had onmogelijk mezelf níét als voorbeeld kunnen nemen. Ik ken immers alleen mijn eigen drijfveren en inspanningen. Ik ken alleen mijn eigen verkoopcijfers. En ik ken alleen de fanmail voor mijn boeken, niet voor die van anderen. En als mensen aan deze dingen twijfelen had ik zelf de hulp van mijn uitgever kunnen inschakelen om de waarheid van die beweringen te bevestigen.

Had ik een ánder boek als voorbeeld genomen, dan had de desbetreffende schrijver in kwestie kunnen zeggen: 'Ja nee, maar dat boek kwam niet uit mijn tenen hoor. Dat was even een tussendoortje. Zelf vind ik het maar een mager zesje.' Of: '... Toch heeft het slecht verkocht.' Of 'Ja, critici vinden het fantastisch. Maar kinderen vinden er geen reet aan.' Dát was mijn motivatie om mijn boek als voorbeeld te nemen. Dát.

En natuurlijk om een beetje op te scheppen over die zevende druk die nu in de betere boekwinkel ligt voor de weggeefprijs van 14,95.

zondag, maart 11, 2012

Aandacht!


Mijn eerste boek was gepubliceerd. En toen? Tja. De eerste tijd was er nog genoeg aandacht. Ik kreeg mooie recensies en voldoende aandacht in de media. Ik mocht mijn verhaal onder andere houden in Cappuccino, maar vooralvooralvooral ook in het onvolprezen Vlaamse programma Jongens en wetenschap. Voor dat laatste had ik zelf een beetje gezorgd.

Ik had een dankwoord in het boek geschreven aan de presentatoren Sven Speybrouck en Koen Fillet voor alle inspiratie die hun programma mij bezorgd had (waar geen woord van overdreven was, ik vind het nog steeds het leukste op de radio ooit), en vervolgens had ik het boek naar ze opgestuurd. Prompt volgde een uitnodiging voor een interview in de studio in... Amsterdam. Van daar zou ik live verbonden worden met het Omroepcentrum in Brussel. Maar dat wilde ik niet. Ik wilde mijn helden persoonlijk ontmoeten. Dus toog ik naar België. Het werd een leuk dagje uit dat ik uiteindelijk vierde met een plens kriek en een bord garnalenkroketten op de Grote Markt. Wederom volmaakt gelukkig.

Maar na een maand kwam de stilte. Geen recensies, geen interviews, geen aandacht meer. Waren er al reacties op Bol.com? Nee. Had een lezer op internet iets aardigs over mijn boek geschreven? Nee. Kreeg ik een uitnodiging voor een spannende lezing? Nee. Niets van dat alles. Wie dus wil schrijven om aandacht te krijgen kan beter een ander vak kiezen. Er is maar één motief om te schrijven, en dat is omdat je een verhaal wilt vertellen. En dat moet je héél graag willen, want het gaat niet vanzelf. Dat merkte ik bij het schrijven van het tweede boek...

vrijdag, maart 09, 2012

Hoe word je schrijver?

Hoe word je schrijver? Dit is mijn verhaal en ik denk dat sommige mensen met schrijfaspiraties daar wel wat aan kunnen hebben.

Al jaren had ik ambitie om schrijver te worden. Ik dacht alleen dat dit nooit zou gaan lukken. Daarom ging ik de reclame in, want ik wilde iets creatiefs doen. Na mijn studie kon ik kiezen uit een groot reclamebureau met bekende merken als klant, of een klein bureautje waar ook een uitgeverij aan vast zat. Het werd uiteraard dat laatste. Bij dat bureau schreef ik naast gewone reclameteksten ook boeken in opdracht van merken. Een boekje voor Grolsch, voor de KLM, voor Nivea en tientallen andere merken, waaronder Center Parcs. Het boek voor Center Parcs ging over de natuur op die parken en tijdens de research daarvoor ontdekte ik allerlei geweldige dingen. Bijvoorbeeld dat planten konden praten. Met elkaar en met dieren. Waarom wist ik dat niet? Waarom bestond er geen boek met dit soort informatie? Dat boek moest er dus komen en ik ging het schrijven.

Nu ben ik geen bioloog, dus een boek voor volwassenen over dit onderwerp zou voor mij wat te hoog gegrepen zijn. Maar voor kinderen…

Zo’n boek zorgde alleen wel voor heel wat werk naast mijn baan. Bovendien wist ik nog absoluut niet zeker dat het ooit gepubliceerd zou worden. Want hoe krijg je uitgevers nu zo ver dat ze jouw boek kiezen uit die enorme stapel manuscripten die ze wekelijks binnenkrijgen? Eerst schrijven en dan maar hopen dat het wat wordt betekende dus een enorme inspanning voor een piepkleine kans. Ik verplaatste me ook in de redacteurs. Hebben die wel zin in nog een dik manuscript?

Daarom schreef ik alleen het idee op, met een synopsis, een inhoudsopgave en een proefstukje. Meer niet. Dat stuurde ik op naar twaalf kinderboekenuitgevers. Van een enkele uitgeverij hoorde ik niets. Andere uitgeverijen zeiden ‘nee’. Eén uitgeverij zei ‘ja’. En Querido zei: ‘misschien.’

Querido!

De uitgeverij van al mijn helden! Ik ging voor de misschien.

De ‘misschien’ had te maken met twee dingen. Ten eerste vonden ze mijn idee niet goed genoeg. Ten tweede moest ik nog bewijzen dat ik Queridowaardig kon schrijven. Ik moest daarom eerst een ander concept bedenken. Dat werd het idee voor ‘Ruik eens wat ik zeg.’ Goedgekeurd dus. Daarna volgde het proefhoofdstuk. Geloof het of niet, maar in dat proefhoofdstuk deed ik alles verkeerd wat ik maar verkeerd kon doen. En dat was ideaal. Want in de tweede versie wist ik precies waar ik de tekst op moest toetsen. Die was dus wél goed. Het boek ging door! Er kwam een contract (overigens pas toen het boek al af was, maar dat gebeurt heel vaak)! En het boek won nog een Vlag en Wimpel ook. Dat zou overigens nooit gebeurd zijn als ik in de persoon van Dik Zweekhorst geen onvoorstelbaar goede redacteur had gehad.

woensdag, maart 07, 2012

De moeder aller odes

Mijn rituelen


Dit is mijn werkplek. Met links aan mijn voeten Sien, die wegens portretrecht niet helemaal afgebeeld kan worden. Of ik moet me wéér scheel betalen aan pensstaven. Ik kan het verder trouwens iedereen aanraden, zo’n hond onder de tafel. Als je even bent vergeten wat de voltooide tijd van ‘deleten’ is of als je wilt weten waar Kalmukkië ligt weet Sien altijd raad.

Met deze tafel ben ik zowat vergroeid. Daarom eet ik altijd op de bank voor de televisie. De tafel is een schitterend meubelstuk, maar hij staat wel symbool voor werk. Hoewel ik vrijwel de hele dag achter de computer zit schrijf ik hooguit enkele uren per dag. De rest van de dag is vaak voor research, maar vooral om in de schrijfstemming te komen. Ik krijg zelden voor tien uur een letter op papier. Vaak zelfs pas na twaalven. Het lukt gewoon niet. Geen concentratie.

Daarom begin ik elke ochtend met een rondje kranten, een rondje Twitter, een rondje facebook, een rondje blogs. Net zolang tot er zoveel tijd verstreken is dat ik het rondje weer opnieuw kan doen. Op die (micro)blogs kan ik kennelijk wel schrijven, maar niet als het om het echte werk gaat. Geen idee hoe dat werkt in mijn hoofd. Vroeger was het nog veel erger. Toen speelde ik urenlang monomaan patience op de computer.

Dat kan allemaal zonder schuldgevoel, want tijdens het douchen en koken en tijdens mijn wandelingen met Sien, doorwaakte nachten en hardlooprondjes gaan mijn gedachten ook altijd uit naar mijn werk. Daar heb ik zelfs mijn belangrijkste eurekamomenten.

Zo zijn er nog meer rituelen. Ik schrijf altijd met een koptelefoon op. Ook als ik alleen ben. Simon Vestdijk zette een stofzuiger aan om te kunnen schrijven. Ik heb liever Faithless, Mylene Farmer of Chaka Khan. Mijn brein werkt beter op muziek. Bovendien heb ik bijna altijd muziek in mijn hoofd. Dus het werkt ook om te voorkomen dat een nummer de godganse dag door mijn hoofd spookt.

En verder? Heb ik geen énkele eigenaardigheid. Geen enkele. Zelfs niet een kleintje. Heus. Echt waar.

maandag, maart 05, 2012

Lachen om een chromosoom

Als het gaat om de Geronimo Stiltons tegenover de literair verantwoorde boeken, dan wordt heel vaak het woord ‘makkelijk’ gebruikt. Geronimo Stilton is makkelijk en voor literatuur moet je meestal moeite doen. Dat klopt. Voor veel mooie dingen moet je inderdaad moeite doen. En dat is goed. Zolang je maar beloond wordt voor die moeite.

Want het is een misverstand om te denken dat moeilijkere kunst ook meteen ontoegankelijk is. Als de beloning groot genoeg is, dan is elke vorm van inspanning die je van de lezer vraagt gerechtvaardigd.

Ik werk momenteel aan mijn Magnum Opus. Een boek dat – in mijn ogen – Kinderen van Amsterdam op alle fronten moet overtreffen. Dat is niet eenvoudig. Zo ben ik nu al bijna twee weken bezig met een stukje van maar een paar honderd woorden. Het gaat over een uiterst ingewikkeld wetenschappelijk onderwerp. Voor kinderen uiteraard. Ik heb een paar prachtige metaforen bedacht die de tekst heel helder en bondig uitleggen. Helaas zullen maar weinig kinderen die metaforen begrijpen. Aan de andere kant kan ik de tekst ook zo opschrijven dat ieder kind hem zal begrijpen. Maar of dat een boeiende tekst wordt is een ander verhaal. Begrijpen is niet genoeg. Ik wil het zo goed verwoorden dat ze mee worden gezogen in de tekst. Dat ze genieten van het lezen van die ingewikkelde informatie. Dat ze informatie krijgen waarvan ze vooraf nooit gedacht zouden hebben dat die hen zou boeien. Dat ze enthousiast raken over een gen en lachen om een chromosoom.

Kinderen nemen de moeite al om mijn boek over een ingewikkeld onderwerp te lezen. Ik doe dan de moeite om ze zoveel mogelijk te belonen.

zondag, maart 04, 2012

Veel


Dit is mijn bureaubladachtergrond. Ik kan er uren naar kijken. Deze foto is met de Hubble-telescoop gemaakt door dagenlang in te zoomen op een punt ergens in de Grote Beer.

Er staat van alles op: oude sterrenstelsels, jonge sterrenstelsels, een heel enkele ster uit ons eigen melkwegstelsel, nevels. Van alles tot aan zo'n dertien miljard lichtjaar van ons vandaan. Waanzinnig. Als je bedenkt dat zo'n klein spiraaltje uit zo'n honderd miljard sterren bestaat en als je bedenkt dat het punt waar op ingezoomd is zo groot is als een tennisbal op honderd meter afstand, dan krijg je een beetje een indruk van hoe immens het heelal is.

Dan heeft het ook geen zin om te zeggen dat 'De sok van Jip is wit' het beste boek ter wereld is, want dat wéét je gewoon niet. Misschien is er op een planeet in één van die verre stelsels wel een beter boek geschreven.

zaterdag, maart 03, 2012

Bi of anders nie

‘Stel nou dat wij als auteurs de keuze kregen, met een pistool van boekcoverkarton op onze slaap gericht, met een leeslint dreigend strak om onze kelen getrokken, om gelezen te worden door veertien of door vierduizend kinderen, wat antwoorden we dan?’

Die vraag stelde Edward van de Vendel tijdens zijn Woutertje Pieterse Lezing. Het ging om veertien kinderen die zouden smullen van dat compromisloos literaire boek waar ze de rest van hun leven nog iets aan zouden hebben. Dat prachtige literaire boek dat je als auteur altijd hebt willen schrijven. Of vierduizend lezers van een toegankelijker boek dat zich meer op kinderen richt.

Ted van Lieshout kreeg de vraag – gechargeerd van 14 tot 140.000 – en koos voor de veertien. Gezien het hartstochtelijke applaus dat hij van diverse schrijvers kreeg dachten vele anderen er ook zo over. Ik niet. En wel hierom.

Toen ik in de eerste klas van de middelbare school zat moesten wij Ivoren Wachters van Simon Vestdijk lezen. Lezen betekent hier: tot op het bot ontleden. Wat is het thema? Wat zijn de motieven? Welke symboliek vind je er in? Enzovoort. En dat urenlang. Ik moest me als dertienjarige al door het boek heen worstelen, maar met die vragen erbij werd het een ware kwelling. Dit is dus literatuur? Zo moet je boeken lezen? Je moet een boek dus als een puzzel ontrafelen en op zoek gaan naar thema’s en motieven? Wat een hel. Hier wilde ik niets mee te maken hebben. Ik heb daardoor jarenlang geen Nederlandse roman meer gelezen. Totdat enkele jaren later het plezier weer terug kwam dankzij Remco Campert en Kees van Kooten.

Ik denk dat dit bij kinderen ook kan gebeuren bij té literaire boeken. Ik was een groot Paul Biegelfan, maar na Haas ben ik afgehaakt – om hem als volwassene gelukkig weer te herontdekken. Maar ik kwam er toen niet doorheen. Te jong.

Mijn liefde voor boeken was groot genoeg om door te blijven lezen, maar die liefde is bij de huidige generatie een stuk brozer. En ik kan me voorstellen dat een kind een boek uitkiest omdat het bekroond is. Als dat boek bekroond is door een te elitaire jury, dan kan dat de literaire genadeklap zijn voor een kind dat al niet zo graag leest.

Als je veertien kinderen beloont met een boek in een oplage van 2000 stel je honderden lezers diep teleur. Of je drukt het boek in een oplage van veertien.

Edward pleit voor boeken die beide zijn: én goed geschreven én kindvriendelijk. Diverse auteurs (onder wie Ted van Lieshout trouwens, en ook Edward zelf) met als hoogtepunt Mirjam Oldenhave laten zien dat dit prima mogelijk is. Edward noemt dat in zijn lezing bi zijn. Ik zeg: bi of anders nie.

donderdag, maart 01, 2012

Mijn debuut


(Mocht je een déjà vu hebben bij het lezen van dit stukje, het ligt niet aan jou. Dit stukje staat ook op Villa Kakelbont, waar ik deze maand gastblogger ben)

Vandaag vindt in Amsterdam de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs plaats. Dat is voor mij altijd bijzonder. Want op deze dag kreeg ik het eerste exemplaar van mijn debuut ‘Ruik eens wat ik zeg’ in handen. Dat was negen jaar geleden. Wie verwacht dat de presentatie van een boek steevast met veel champagne en mooie toespraken in de chicste zaal van de uitgever gepaard gaat kan ik uit de droom helpen. In de meeste gevallen krijg je je eerste exemplaar gewoon via de post.

Die middag verliep ook zonder enige glamour. Mijn redacteur zou het boek meenemen naar de uitreiking, maar hij kon uiteindelijk niet. Daarom gaf hij het aan een andere redacteur, maar die vergat het mee te nemen. Zo moest ik vervolgens naar de uitgeverij toe om dat eerste exemplaar eindelijk vast te kunnen houden, te ruiken en te bewonderen. Maar uiteindelijk hád ik het…

Ik ben meteen naar huis gefietst met mijn twintig auteursexemplaren en daarna zat ik op de bank. Alleen. Geen champagne. Geen feestje. Geen toespraken. Maar zo zíélsgelukkig. Het was me gelukt! Een boek. Mijn boek. Met geweldige tekeningen van Sieb Posthuma. Geen champagne, cocaïne, ecstacy of wat voor geestverruimend middel had me gelukkiger kunnen maken. Euforie die bovendien langer stand hield dan welke drug dan ook, want nog steeds word ik vrolijk als ik aan die dag denk. Nu weer trouwens.

Drie keer had ik in mijn schrijversloopbaan een vergelijkbare euforie. Maar daarover de komende maand meer.

Wie zal hem trouwens winnen, die prijs?