dinsdag, november 28, 2006

Waar komt het woord ´fiets´ vandaan?

Koen en Sven gingen geen onderwerp uit de weg. Natuurkunde, wiskunde, geschiedenis en zelfs prangende taalkwesties kwamen regelmatig aan bod (dat laatste bijvoorbeeld met de vraag ´waarom hebben Nederlanders vaak rare achternamen?´). Daarom dit keer een opgave over Oud-Nederlands en etymologie: Waar komt het woord ´fiets´ vandaan?

Ik kan vast verklappen dat de deskundige in de studio met meerdere mogelijke antwoorden kwam. Er is dus nog geen alomvattende waarheid over dit onderwerp. Maar misschien dat we die op dit blog eindelijk kunnen vinden...

14 opmerkingen:

Lilli zei

Ik ben even op onderzoek uitgegaan en begrijp nu dat het enige wat we zeker weten over het woord "fiets" is dat het rond 1870 ontstaan is...

Mij lijkt fiets vooral een klank. Zo van: "en toe was hij fffffffffffffietssss voorbij!"

Gezellig!

bibi zei

Heeft het Franse woordje vite er niet mee te maken? Dat je rollend sneller was dan lopend en dat je dan tres vite ging? En van vite kwam fiets?

Richard zei

De 'fiets' is een soort 'kiekje', alleen is de etymologie van het kiekje bekender. In de 19e eeuw werd er ijverig gefotografeerd en over de hele wereld werden er woorden als 'foto' en 'fotograferen' (of varianten daarop) gebruikt. Ook in Nederland. Maar er leefde in de negentiende eeuw in Leiden een fotograaf, David Kiek. Die werd zo beroemd dat men in Leiden en de verre omstreken daarvan een foto een 'kiekje' ging noemen. Een kiekje heeft dus niets met 'kijken' te maken, zoals je misschien zou denken.

Zo ook met de fiets. Sommige mensen denken dat dit woord is afgeleid van het Franse woord 'vélocipède', maar dat klopt niet.

Want uit geschriften die vorig jaar zijn gevonden in de Fryske Akademy in Ljouwert is gebleken dat aan het begin van de vorige eeuw in het dorpje Nijega een geniaal ingenieur woonde. Zijn naam was Lieuwe Fiets. Na diverse baantjes bij een hoefsmid, restaurants en een autobusmaatschappij belandde hij bij de jonge onderneming Batavus in Heerenveen. Daar bracht hij een revolutie teweeg in de constructie van de rijwielen die op dat moment nog vélocipèdes heetten. Hij verzon onder andere de versnellingsnaaf, de bidonhouder, de fietsbel, de bagagedrager, de fietsenstandaard en de binnenband. Ook verzon hij de stokhouder, waarmee een fierljepstok vervoerd kon worden op de fiets, maar daar bleek niet veel behoefte aan te bestaan.

Zijn naam raakte hierdoor enige tijd bekend in heel Fryslan en omstreken, maar daar kwam een einde aan door de Eerste Wereldoorlog. Duitsland en België vormden een grote afzetmarkt voor Batavus, maar door de oorlog stortten die markten volledig in. Batavus moest een groot deel van zijn werknemers ontslaan. Daaronder was Lieuwe Fiets.

De persoon raakte in de vergetelheid, zijn naam leeft voort. En gelukkig is dankzij dit weblog de waarheid over deze opmerkelijke Fries boven water gebracht, zodat de volgende edities van etymologische woordenboeken hem in ere kunnen herstellen!

Jan Paul zei

Een buitengewoon grof schandaal dat Batavus zijn beste medewerker zo maar op straat heeft gezet. Ik zal mijn fiets - een Batavus - straks eens vermanend toespreken. Daarna zal ik de bel, de standaard en de versnellingsnaaf eens extra in het vet zetten.

ted zei

Richard is iemand die je onmiddellijk gelooft en die je niet in staat acht om te jokken. Maar nou weet ik het nog niet zo net.

Richard zei

Nou ja!

Jan Paul zei

De Virtuele Academie van Jongens en Wetenschap heeft overigens als richtlijn: beter goed verzonnen dan slecht gegoogeld.

Jan Paul zei

Wie goed Googelt (of Jongens en Wetenschap deel 1 in huis heeft) komt er achter dat ene meneer Viets uit de Hoogstraat 229 te Wageningen één van de eerste fietsenmakers van Nederland was. Een soortgelijk, maar onbetrouwbaar, verhaal is er over de Amsterdamse fietsenmaker Vieds. In elk geval zijn beide namen onjuist als antwoord op de vraag. Het woord bestaat namelijk al langer dan hun rijwielherstelateliers...

ted zei

Wat ik al dacht is juist: Richard zat wel dicht bij de waarheid, maar ontspoorde uiteindelijk. Inderdaad ligt de oorsprong bij de Fryske Akademie te Ljouwert. Daar was een niet al te bekwame leraar Frans die erg ongeduldig was en leerlingen die op de vélocipède talmend en treuzelend naar school kwamen maande door te roepen: Vite! Viter! Vitest!
Gaandeweg is dat verbasterd tot fiets.

Kees zei

Jullie hebben allemaal gelijk - of zouden het moeten krijgen -, maar Lilli het meest. Het woord 'fiets' is in circa 1870 ontstaan, waarschijnlijk in Apeldoorn. Het is een vervorming van 'vielesepee', een verbastering van 'velocipede' (waar zijn de accenten?!) oftewel 'snelvoet'. De vorm van het woord is bepaald door het oude werkwoord 'vietsen' = 'zich met een vlugge beweging verplaatsen'. En dat terwijl ik nooit fiets, maar altijd de metro neem!

Jan Paul zei

Ik ben dan ook erg blij met de antwoorden tot nu toe. We zijn denk ik nu al een stapje dichter bij de alomvattende waarheid gekomen. Het zou fijn zijn als we via dit blog met de Virtuele Academie voor Jongens en Wetenschap het Woordenboek der Nederlandse Taal zouden kunnen halen.

En dan nog even dit. Moet u nog boodschappen doen? De opgave van morgen gaat over een ei. Wie een ei bij de hand heeft is daarbij zeker in het voordeel.

Anoniem zei

Fiets komt van het engelse woord voeten..

"use your feet"

Dat is verbasterd tot "fiets"

rose zei

Een verbastering van 'vitesse', wellicht?

Anoniem zei

Over het woordje fiets. Mijn idee. De herkomst moet gezocht worden in de gangbaarheid (toentertijd) van het begrip koets. De koets, het vervoermiddel (van de rijken, welgestelden) bij uitstek. Met het rijwiel ging het plotseling om een vervangen (een alternatief) van de koets. Fie-ts en Koe-ts. Voel je ‘em? Die achteruitgang, die -ts, is lekker aan elkaar gewaagd (sic!): en daarmee voor iedereen met een beetje taalgevoel, zonneklaar. Maar dan die eerste drie letters. Welnu Dat moet gezocht worden in het begrip ‘fit’. Dat woordje moet in die tijd populair zijn geworden. Rond 1896, al eerder, fit is ‘krachtig genoeg om mede te rennen’. Sportief natuurlijk. Het woordje ‘fit’ was eerst vooral van toepassing op (de conditie van) paarden. Dat lees ik (als leek) op de website van de etymologiebank. Ha, paarden. Het zijn paarden, die de koetsen trekken. Wie (als jongen) op de fiets sprong en ging racen zag zichzelf als een paard. Een thracisch veulentje, wellicht? En met dat fietsen, reken maar, werd je net zo fit of veel fitter dan de paarden voor de koe-ts. Vandaar: fie-ts. Nu is het aan een geleerde taalliefhebber om de zaak meer wetenschappelijk rond te maken. Succes. Wat ik persoonlijk leuk vind aan het woord ‘fiets’, is dat het een ‘jongenswoord’ genoemd wordt. Nou, ja, zeg. Onze taal mag veel meer jongenswoorden herbergen. Jongens zijn gewoon heel erg leuk. Sport is een jong-menselijke activiteit bij uitstek. En fit zijn is natuurlijk iets wat elke stoere jongen aanspreekt. Dat zal in die jaren niet anders zijn geweest. Terzijde. Over klanken die (mee)spreken. De klank ‘fie’ vind ik zo lekker tegengesteld, opstandig en contrastrijk aan de klank-lettergreep ‘koe’. Dat is anti en daarmee heerlijk puberaal. Dat heeft vast en zeker ook een etymologische rol gespeeld. Dit is mijn uitleg.

Nicolaas